Liefde en Leedvermaak

Na een zomer vol romantiek maakt Leonie ter Braak de balans op in ‘B&B vol liefde: De reünie’. De datingshow is al vijf seizoenen lang een hit. Waar komt dat succes vandaan?

Goede casting

De makers van B&B vol liefde weten als geen ander hoe ze kijkers kunnen verleiden om hartje zomer de televisie aan te zetten. Alles valt en staat bij het vinden van deelnemers die tot de verbeelding spreken. Geen grijze muizen dus, maar kleurrijke B&B-houders. Zoals deze reeks de bonte bourgondiër Jean-Paul, die ‘zijn’ vrouwen overdonderde en verwende. Of de strenge Magda, die haar mannen langs de meetlat legde. Op Lesbos kon het contrast niet groter tussen de vrijgevochten levensgenieter Petra en Ingrid, die meer op zoek leek naar een klushulp dan naar een nieuwe partner.

Gesprek van de dag

In de zomermaanden zijn er weinig programma’s waarover iedereen het heeft. B&B vol liefde is in een paar jaar tijd uitgegroeid tot tv-traditie: tijdens de uitzending geven kijkers commentaar via sociale media en ook bij de koffieautomaat op kantoor is de datingshow onderwerp van gesprek. Een zeldzaamheid in een tijd met zoveel verschillende tv-zenders en online streamingplatformen.

Ontdek je plekje

B&B vol liefde staat garant voor het vakantiegevoel. De makers wisselen de amoureuze onderonsjes af met schitterende beelden van de omgeving. Vooral de met drones geschoten opnames vanuit de lucht zijn imponerend. Zo kunnen kijkers zich vergapen aan de schoonheid van de landschappen: van de jungle in de binnenlanden van Suriname tot de bergen ten zuiden van Bologna en de verrassende natuurpracht van Tsjechië.

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 36. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.

Tekst: Jef Willemsen

Jacqueline Govaert: ‘Mijn gevoel schoot alle kanten op’

Jacqueline Govaert is deze week de hoofdgast in ‘Beste zangers’. De zangeres vindt het spannend én speciaal dat anderen haar repertoire uitvoeren. ‘De hele aflevering voelde als een enorme trip.’

Hoe is het om anderen jouw liedjes te horen zingen?

“Heel bijzonder! Ik mag nog nergens inhoudelijk op ingaan, maar op een gegeven moment zingt iemand een Nederlandstalige versie van een bekend Engels nummer van Krezip. Het raakte me zó om die melodie te horen met een andere tekst. Deze hele aflevering voelde sowieso als een enorme trip, mijn gevoel schoot alle kanten op. Ik zat op de bank naast Jan Smit, te kijken naar al die artiesten die mijn liedjes spelen, elk met hun eigen verhaal waarom ze dat nummer kozen. Ik vond het heel speciaal hoe iedereen daar zo mee bezig is geweest.”

Heb jij je ook goed voorbereid op ‘Beste zangers’?

“Zeker. Het was een intensieve zoektocht, waarvoor ik heel diep in de levens van zeven collega-artiesten ben gedoken. Ik heb me verdiept in hun repertoire en hun verhalen. Ik wilde liedjes uitzoeken die hen eer aandeden, ik wilde ze verrassen en ik wilde dat ze het goed zouden vinden. Soms moest ik daarbij uit mijn eigen comfortzone stappen. Zo heb ik alles in het Nederlands gezongen, terwijl ik met Krezip altijd in het Engels zing. Het is me niet helemaal vreemd, want thuis zing ik vaak in het Nederlands.”

Hoe heb jij de liedjes benaderd?

“Ik heb uiteraard geprobeerd ze eigen te maken. Ik ken Typhoon persoonlijk. Bij zijn liedjes zat een nummer waarvan ik meteen dacht: dit wil ik graag voor hem zingen, ik vóél hem in dit lied. We hebben een lijntje, dat wilde ik daarmee uitdragen. Ik was er wel zenuwachtig voor, omdat ik het echt op de goede manier wilde doen. Bij Acda & De Munnik heb ik gekozen voor nummers die veel voor me hebben betekend toen ik jong was. Daar hoefde ik niets aan te veranderen, ik wilde ze zingen zoals ik ze op de achterbank bij mijn ouders in de auto hoorde. In die vormende jaren zijn dat belangrijke nummers voor me geweest.”

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 36. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.

Tekst: Jeroen Keijzer

Altijd tot negen tellen

Dit tv-seizoen keert een aantal bekende kennisquizzen terug en starten nieuwe quizzen. Wat is eigenlijk de ideale quizvraag? Vragenbedenker Anne Marie Goorkate van ‘Per seconde wijzer’ legt het uit.

Hoe word je vragenmaker bij een kennisquiz?

“Dat is een grappig verhaal. Acht jaar geleden deed ik zelf mee aan Per seconde wijzer en won in de categorie Sport. Toevallig waren ze al een tijdje op zoek naar iemand die sportvragen kon maken. Ik heb toen mijn baan als vormgever opgezegd en ben vragenmaker geworden. Eerst op freelancebasis, later in vaste dienst. In totaal zijn er vier vragenbedenkers in dienst bij het programma. We werken samen met een wisselend aantal freelancers.”

Elke quiz heeft natuurlijk zijn eigen type vragen, maar waar moet elke goede quizvraag aan voldoen?

“Het antwoord moet sowieso kloppen natuurlijk. Daar begint het mee. Er moet maar één antwoord zijn, zodat er geen discussie mogelijk is. Bij Per seconde wijzer is er een team dat controleert of onze antwoorden ook echt kloppen. Gelukkig is dat meestal het geval.”

Waar moet een vraag bij Per seconde wijzer aan voldoen?

“Losse vragen van Per seconde wijzer zouden prima in andere quizzen kunnen zitten. Dat zien we ook wel eens gebeuren. Maar bij ons zijn het altijd negen vragen die mooi binnen een thema moeten passen. Dat is soms best lastig. We hebben een archief met vragen waarop nog geen negen goede antwoorden zijn. Er zijn bijvoorbeeld acht Nederlandse mannen die het WK wielrennen op de weg hebben gewonnen; pas als er een negende komt, kunnen we die vraag stellen. Sommige van die incomplete vragen zweven al jaren in ons systeem. Naast het thema is het belangrijk dat de antwoorden elkaar echt uitsluiten, dat er niet twee antwoorden goed kunnen zijn. Er gaat ook veel werk zitten in het zo kort mogelijk formuleren van de vragen, zodat de kandidaat geen tijd verliest. Het gaat immers om de secondes en lange vragen benadelen de kandidaat. Daarom checken we dat vooraf met een testspeler.”

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 35. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.


Tekst: Maarten van der Meer.

Laetitia Gerards: ‘Ik zie ieder liedje als een mini-uitvoering’

Operazangeres Laetitia Gerards is qua muziekstijl de vreemde eend in de bijt bij ‘Beste zangers’. Dat muzikale uitstapje beviel de sopraan uitstekend.

Hoe was het om met deze groep op pad te gaan?

“Iedereen kende elkaar al, ik was de nieuweling in de groep. Gelukkig werd ik met open armen ontvangen. Ik heb vreselijk gelachen met Acda & De Munnik. Ik was al fan van Typhoon en als je hem als persoon leert kennen, wordt zijn muziek alleen maar beter. Als kind keek ik enorm op tegen Jacqueline Govaert en Paul de Leeuw en nu stonden ze ineens voor me te zingen. Snelle en Bente kende ik nog niet zo goed. Hij is een echte verhalenverteller en zij heeft me verrast met haar authentieke sound.”

Is het moeilijk om als operazangeres andere genres te zingen?

“Vooral de pop- en soulklank vond ik lastig, omdat ik eigenlijk nooit op die manier zing. Ik ben ook niet gewend dat de drummer zo dicht achter me staat, daardoor kon ik mezelf soms amper horen. In sommige nummers kon ik mezelf helemaal verliezen en heb ik mezelf even een echte rockster gevoeld.”

Hoe heb je jezelf de nummers eigen gemaakt?

“Ik zie ieder liedje als een mini-uitvoering: ik kruip in een rol om het verhaal van dat nummer te vertellen. Dat theatrale blijft in me, ook als ik een popsong zing. Iedere aflevering heb ik daar ook bewust mijn kleding op aangepast. Soms sta ik in een mooie glitterjurk, soms in het leer en dan weer in een spijkerpak: het zijn kostuums die passen bij wat ik vertolk.”

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 35. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.

Tekst: Jef Willemsen

Zaterdagavond

Wie de Gouden Televizier-Ring wint, is verzekerd van een plekje in de televisiehistorie. Terwijl u kunt stemmen voor de zestigste (!) verkiezing, duikt kenner Bert van der Veer in de geschiedenis van het gala.

In het jaar 1966 keek de redactie van Televizier raar op. De stemming voor de Gouden Televizier-Ring liep via bonnen die uit het blad waren geknipt, ingevuld en opgestuurd. Kon het echt waar zijn? De stemmen werden kritisch herteld. Het klopte: de winnaar was Zo is het toevallig ook nog ‘s een keer! Dat was satire, een Nederlandse versie van het Britse That was the week that was. Naast alle gezellige en ongevaarlijke shows besprak dit programma wat er broeide aan de oppervlakte van de samenleving. De politiek keurde het af, de kranten vulden er kolommen mee en de VARA kreeg vijfduizend boze reacties. Presentatrice en mede-bedenkster Mies Bouwman werd bedreigd en haakte na vier afleveringen af.

Volwassen

Toch was een programma als Zo is het… niet bepalend voor welke kant de televisie op ging. Dat was een genre dat bezongen werd door Willy en Willeke Alberti: ‘Dag mevrouw, dag meneer, ja daar zijn we daar weer, zaterdagavond!’ In de vroege jaren zeventig was dat wat domineerde: het zaterdagavondgevoel. Mies Bouwman keerde glorieus terug met Een van de acht. Die spelshow won de Gouden Televizier-Ring in 1972. Daarna volgde De Berend Boudewijn Kwis (1973). Het kon niet op, de televisie was waarlijk volwassen geworden. Willem Duys ontving in 1974 de Oeuvre-Ring, Andre van Duin kreeg de publieksprijs voor Dag dag heerlijke lach in 1975 en de cabaretier die lang wars was van tv, Wim Kan, volgde in 1977 met zijn Oudejaarsconference.

Kortom, niets werd jaarlijks zo begeerd als de Gouden Televizier-Ring. En daar ging het in 1976 even mis. Er waren heel veel stembiljetten ingevuld voor Fred Oster en zijn Wie-kent-kwis. Opvallend: veel met een en hetzelfde handschrift. Er werd daarom dat jaar geen prijs uitgereikt. En Oster? Die zou de fraude nooit toegeven.

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 35. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.


Tekst: Bert van der Veer.

Soapies blijken de sterren van morgen

Jarenlang waren de acteurs in ‘Onderweg naar morgen’ elke werkdag op tv. De soap stopte in 2015, maar veel hoofdrolspelers zijn ook nu nog regelmatig te zien, geregeld in verrassend andere rollen. Zoals Vivienne van den Assem.

Boulevard-boegbeeld

Twee jaar lang was Vivienne van den Assem als Lizzie Vehmeijer in ONM te zien, daarna gaf ze er de brui aan. Ze bleef aanvankelijk acteren, en werd kinderidool dankzij de jeugdserie Zoop. Haar laatste grote acteerklus is alweer even geleden. Vivienne verdient nu vooral de kost als presentator, onder meer van RTL Boulevard. Daar komt ze lifestyledeskundige Nikkie Plessen – die haar rol als Lizzie in de soap overnam – geregeld tegen. Overigens staat er geen definitieve punt achter Viviennes acteercarrière. Op de vraag wat het vreemdste was wat ze ooit over zichzelf heeft gelezen, antwoordde ze eerder dit jaar in Libelle: “Dat ik nooit meer zou willen acteren.”

De realityster

Als Julia Branca maakte Yolanthe Cabau drie jaar lang de andere personages in Onderweg naar morgen het leven zuur. In 2008 had ze genoeg van haar rol als de valse Braziliaanse au pair en stopte met de soap. Ze bleef acteren en stak daarnaast veel tijd in het door haar mede opgerichte organisatie Free a Girl, die strijdt tegen seksuele uitbuiting van meisjes in ontwikkelingslanden. Door haar relaties met Jan Smit en Wesley Sneijder kreeg ze ook in de jaren na haar ONM-exit veel media-aandacht. Inmiddels acteert ze nog steeds en woont ze in Los Angeles. Dankzij de realityserie Yolanthe op Netflix staat ze de laatste tijd weer volop in de spotlights.

De wereldreiziger

Veel meisjesharten sloegen in 2001 een slag over toen Chris Zegers als Sasza Nagy debuteerde in de Onderweg naar morgen. De fans wachtten hem zelfs op bij de uitgang van de studio in Aalsmeer, hopend op een glimp van hun idool. Na Chris’ vertrek uit de serie volgden nog wat acteerklussen en een kortstondige carrière als zanger. Succesvoller is hij als presentator: sinds 2012 maakt hij in 3 op reis regelmatig reportages vanuit verre oorden.

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 34. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.

Tekst: Richard Roosenboom

Wrijving op de wielrenfiets

Het wielerpeloton is een minimaatschappij. Renners hebben vrienden op de fiets, maar ook collega’s die hen minder liggen. Wielercommentatoren Karsten Kroon en Jeroen Vanbelleghem hebben deze Vuelta naast de koers genoeg te bespreken.

De top van het internationale profwielrennen telt minder dan vijfhonderd renners. Die komen elkaar gedurende het jaar in wisselende samenstelling en op verschillende plekken tegen. Daarmee is de wielerwereld net een rondreizend dorp. Al fietsend ontstaan er vriendschappen, weet wielercommentator Jeroen Vanbelleghem: “Zelfs tussen renners van verschillende ploegen. Victor Campenaerts en Tim Wellens bijvoorbeeld, die voor respectievelijk Team Visma-Lease a bike en UAE Team Emirates rijden. Die ploegen mogen elkaars grote concurrenten zijn, zij zijn goede vrienden.”

Wrevel, irritatie en zelfs regelrechte ruzies komen ook voor, ook in de Ronde van Spanje, als het zware wielerseizoen fysiek en mentaal zijn tol begint te eisen. Vanbelleghem: “In principe is de Vuelta gemoedelijker dan de Tour de France, waar veel meer op het spel staat. Maar de vermoeidheid later in het seizoen kan wel voor extra geprikkeldheid zorgen. Vergelijk het met mensen die op kantoor werken: wie aan vakantie toe is, raakt soms eerder geïrriteerd. Dat werkt bij wielrenners net zo. Dan koken de potjes wat sneller over.”

Net een schoolklas

Vanbelleghems co-commentator Karsten Kroon was zelf jarenlang profwielrenner. Hij vergelijkt het peloton met een grote schoolklas. “Het is een groep mensen die je niet zelf hebt uitgekozen, en het is een heel divers gezelschap, met grote verschillen qua cultuur en nationaliteit. Logisch dat de een dan beter in de groep ligt dan de ander.” Het belangrijkste voor een wielerprof is dat hij hard kan fietsen. “Maar sympathiek gevonden worden is ook belangrijk”, weet Kroon. “Of dat ze op zijn minst geen hekel aan je hebben. Ook dat is onderdeel van het wielrenner zijn.”

Toch zijn er volop renners die wel vijanden gemaakt hebben. Vorig jaar vertelde Nils Politt van UAE (de ploeg van viervoudig Tourwinnaar Tadej Pogacar) dat er in hun teambus een zwarte lijst hing met renners waar ze een hekel aan hadden. Vanbelleghem: “Dat werd eerst wat lacherig gezegd, maar bleek toch serieus te zijn. Zoiets gaat best ver.” Ex-renner Kroon kan zich niet herinneren dat er in de ploegen waar hij reed zulke lijsten circuleerden. “Maar ik had er wel eentje in mijn hoofd. Daar stond Andrij Grivko op. Net als bijna iedereen in het peloton had ik een enorme hekel aan hem.” Dat had gevolgen voor Grivko’s prestaties. “Niemand liet hem ontsnappen, omdat geen enkele renner hem een overwinning gunde.”

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 34. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.

Tekst: Jef Willemsen

Een wonder

Wie de Gouden Televizier-Ring wint, is verzekerd van een plekje in de televisiehistorie. Terwijl u kunt stemmen voor de zestigste (!) verkiezing, duikt kenner Bert van der Veer in de geschiedenis van het gala.

Bij de radiowinkel Van Valkenberg op de Kinkerstraat in Amsterdam was het al om kwart voor acht een drukte van belang. In de etalage stond een televisie­toestel opgesteld, klaar voor de eerste uitzending. Om acht uur doemde het testbeeld op. Een kwartier later verscheen het NTS-vlaggetje in beeld, wapperend met behulp van een kleine ventilator. De tune klonk, op de melodie van ‘O, kom er eens kijken’. Opwinding gonsde door de menigte. Het geluid uit het scherm drong nauwelijks door de winkelruit heen, de druk op het glas nam toe. Twee politieagenten vochten zich door de mensenmassa heen, wisten de deur te bereiken en glipten naar binnen. Een kleine minuut later ging het scherm op zwart. Uit veiligheidsoverwegingen was de elektriciteit van het tv-toestel gehaald en de openbare vertoning afgebroken. Het was 2 oktober 1951, Nederland had televisie.

Hoge vlucht

Het duurde even tot dit nieuwe wondermiddel een hoge vlucht nam. Toen het televisieaanbod massaal en gevarieerd genoeg was om prijzen uit te delen, waren we al tien jaar verder. In 1961 opende de Nipkowschijf het bal, de award van de tv-critici. Kunstgrepen van Leen Timp en Pierre Janssen had de primeur. Vanaf 1964 mocht het volk zich uitspreken. Nou, een deel van het volk. Tot 1996 konden namelijk alleen abonnees van televisiegids Televizier stemmen op hun favoriete programma’s en persoonlijkheden. De lezers knipten de bon uit de gids, stuurden die ingevuld op naar de redactie. Daar werden alle stemmen met de hand geteld. De eerste winnaar werd de (oorspronkelijk Engelse) comedyserie Stiefbeen en zoon. De makers wonnen de prijs in betrekkelijke stilte, want een gala was er toen nog niet. Het was een klein feestje tussen de bureaus op de redactie. Het vertrekpunt van televisiehistorie.

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 34. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.

Arnold Wegh: ‘Soms is het beter om niks te zeggen’

Ook in het nieuwe seizoen bieden de experts in ‘Van onschatbare waarde’ op meegebrachte kunstvoorwerpen. Het onderhandelingsspel is daarbij belangrijker dan de daadwerkelijke winstmarge. Expert Arnold Wegh: ‘Als ik misgrijp, baal ik daarvan.’

Al sinds ze een klein meisje was, handelt Bianca Frölich in kunst en antiek. Maar een Egyptisch dodenmasker zoals in Van onschatbare waarde te zien is, kreeg ze niet vaak onder ogen. “Het zijn objecten waarvan we relatief weinig weten, met veel mystiek eromheen. Toch zijn ze relatief betaalbaar.” Het enthousiasme klinkt zelfs maanden na de opnames nog door in haar stem, maar of ze het ook weet te bemachtigen, hangt af van twee factoren. Natuurlijk de onderhandelingen met de verkoper, maar ook de volgorde waarin die de experts bezoekt.

Dat is het spannende aan het programma: Frölich en haar collega’s hebben allemaal hun eigen kamer, die de verkoper in een door hem of haar gekozen volgorde bezoekt. Het is dus zaak dat ze er bij de uitleg van het meegebrachte voorwerp voor zorgen dat deelnemers hun kamer bezoeken voordat ze bij de concurrentie langsgaan. Anders lopen ze het risico dat een van de andere handelaren dat object voor hun neus wegkapen. Daarvan zijn alle experts zich bewust. “De strijd begint daarom al echt in die objectzaal. Daar moet je je interesse meteen kenbaar maken en de verkopende partij op het hart drukken dat die jouw kamer niet moet overslaan.” Een lastige keuze? “Als een verkoper goed kijkt, ziet die wiens ogen het meest schitteren.”

Altijd tijd voor klokken

De ogen van collega-expert Arnold Wegh begonnen te glimmen toen hij een achttiende-eeuwse klok zag. “Klokken moeten de tijd aangeven, maar in die periode konden ze allerlei extra dingen. Ze speelden melodieën, er bewogen mechaniekjes voor de wijzerplaat – zo’n klok was gewoon een attractie in een interieur”, vertelt hij enthousiast. Wegh heeft dan ook wat met klokken. “We hebben er een paar duizend in ons bedrijf staan, en dan overdrijf ik niet.” Daar kon er best nog eentje bij vond hij, en dat liet hij de verkoper weten in de objectzaal.

Maar zulke duidelijke belangstelling is geen garantie voor succes. “Soms zeg ik heel nadrukkelijk dat ze mij niet moeten vergeten. Het risico is dan wel dat ze weten dat ze hun object toch wel aan mij kunnen verkopen en mijn kamer daarom pas als laatste bezoeken.” De kans is dan toch groot dat een van zijn collega’s die eerder aan de beurt is, ermee vandoor gaat. “Daarom is het soms juist beter om niets te zeggen. Welke strategie het best werkt, hangt af van wie er tegenover je staat. Je moet als handelaar heel goed kijken met wat voor persoon je te maken hebt.”

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 33. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.

Laat Fajah maar rollen

In de nieuwe spelshow ‘Let’s play ball’ rollen bekende Nederlanders een vier meter grote bal door Nederlandse steden en dorpen. Fajah Lourens kon haar competitiedrang er prima in kwijt.

Hoe werkt ‘Let’s play ball’?

“Twee teams moeten met een gigantische bal van 4 meter groot van A naar B zien te komen. Dat klinkt eenvoudig, maar dat was het totaal niet. Mijn team speelde in Sneek tegen de familie Froger. Ik kende die stad niet; er zijn daar heel veel smalle straatjes. Die bal is van een skippybalachtig materiaal gemaakt. Als je te hard gooit, dan kaatst hij terug. Voor je het weet lig je op de grond.”

Wie had je in je team gevraagd?

“Mijn fitste vriendin Hamima en mijn schoonzoon. Uit een soort van romantisch familie-idee wilde ik eigenlijk met mijn kinderen, maar de jongste wil niet op televisie. De oudste zei wel ja, al wist ik eigenlijk wel dat dit niets voor haar is. Gelukkig wilde haar vriend Ruben meedoen. Hij was vooral op zoek naar creatieve oplossingen. Daar werd ik weleens gek van. Van mezelf trouwens ook. In het begin schreeuwde ik de hele tijd ‘looppas!’ Ik ben heel fanatiek en wil altijd winnen, alleen helpt hard roepen dan niet per se. Gelukkig ontwikkelden we uiteindelijk een tactiek.”

Hoe zag die eruit?

“Twee mensen naast de bal om ’m te begeleiden en eentje erachter. Al moet ik eerlijk zeggen dat we het soms ook gewoon niet wisten. De finale was in Sloten. Een prachtig stadje, maar zulke kleine straatjes! Dan was het vooral proppen. We moesten ook twee proeven doen, waaronder fierljeppen. Daar kwam weinig tactiek aan te pas. Ik ben geloof ik zes keer in de sloot gevallen. Een van de Frogers had een wit pak aan en ik verheugde me op hoe hij eruit zou zien na zijn sprong. Geen spatje te bekennen! Érg frustrerend.”

Het hele artikel leest u in de Televizier van week 33. Deze editie ligt nu in de winkel. Bent u geen abonnee, maar wilt u niets meer uit de gids missen? U kunt hier abonnee worden.

Tekst: Deborah Ligtenberg

Back to top